Op 29 juni 2024 is door het Nederlands Genootschap Heraldiek (NGH) een wapenbrief uitgegeven waarin het familiewapen van de naamdragende nakomelingen van Machiel Adrianus van den Hout (1863-1931) wordt bevestigd.
Naamdragende nakomelingen
Alle personen die de achternaam Van den Hout dragen en afstammen van een van de tien zonen van Machiel Adrianus gelden als naamdragende nakomelingen. Hieronder volgt een lijst met de zonen in chronologische volgorde:
1. Pieter Johannes (1893-1971)
2. Klaas Dirks (1894-1962)
3. Machiel Adrianus (1895-1958)
4. Dirk Pieter (1896-1982)
5. Albert Frans (1899-1976)
6. Auke Jan (1903-1976)
7. Willem Pieter (1904-1993)
8. Jan Simon (1909-1971)
9. Petrus Jacobus (1911-1995)
10. Mattheus Philippus (1912-2007)
De beschrijving is als volgt:

Schild: op een rood veld drie gestapelde liggende vaten, van voren gezien (1,2), rechtsboven, linksboven en onder vergezeld van een molenijzer, alles van goud.
Helmteken: drie waaiersgewijs geplaatste, naar voren gebogen pluimen, goud, rood, goud.
Helmkleed: rood, gevoerd van goud.
De molenijzers zijn een verwijzing naar het familiewapen van de familie Van Rode (alias De Rover) en de drie vaten een verwijzing naar de handelsfirma die door de eerder genoemde Machiel Adrianus werd opgericht.
Het wapen is geschilderd door heraldisch kunstenaar G.J.C. van Breugel. De tekst op de wapenbrief is gekaligrafeerd door een kaligrafeur van het NGH.
Het NGH draagt zorg voor de registratie van het familiewapen in het wapenregister van het NGH en het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
De mens navigeert op symbolen. Familiewapens zijn gestolde familiegeschiedenissen die houvast geven in tijd en ruimte. Daarbij draait de traditie – wat mij betreft – niet om het vereren van oude as, maar om het doorgeven van een vuurtje waar iedereen zich aan mag warmen. Iemand die weet wie hij is, zal minder gauw verdwalen. Door familieonderzoek leer je kritisch kijken naar waar je vandaan komt. Waar ligt een waarheid, een stevig fundament? En waar zweeft de zeepbel die doorgeprikt moet worden?
G.J.C. van Breugel